Over schapen en herders

Wat zegt het bijbelse beeld van schapen en herders ons nog? En waarom is dat beeld in de bijbelse geschriften van het begin zo nadrukkelijk aanwezig? En provoceert Jezus als hij zichzelf de 'goede herder' noemt? Deze en andere vragen kwamen aan de orde in de overweging die Peter Nissen op 29 april 2012 uitsprak in de Studentenkerk te Nijmegen.

Overweging Studentenkerk Nijmegen, 29 april 2012Gelezen: Ezechiël 34:1-10 en Johannes 10:11-16 

Vindt u het eigenlijk wel prettig om met een schaap vergeleken te worden? Want dat is toch de suggestie die van de twee Bijbellezingen van vandaag uitgaat: dat wij de schapen zijn en dat degenen die leiding aan ons geven – bij Ezechiël zijn dat de koningen van Israël - herders zijn. Schapen zijn lieve dieren, dat is zeker, vooral als ze je aankijken zoals de schapen op het liturgieboekje van vandaag doen. Maar als iemand tegen mij zegt dat ik schaapachtig lach, voel ik mij niet meteen gevleid. En we zullen ons ook niet graag laten aansporen tot kuddegedrag. De meesten van ons zullen er niet blij mee zijn om voor een kuddedier of een mak schaap uitgemaakt te worden.

De rooms-katholieke gemeenschap in Nederland werd ruim een halve eeuw geleden door haar herders wel nog geprezen om haar voorbeeldige kuddegedrag. Maar de scherpzinnigsten uit die gemeenschap stelden precies dat kuddegedrag ook scherp onder kritiek. De Nijmeegse hoogleraar L.J. Rogier geselde in de jaren vijftig de culturele traagheid van de Nederlandse katholieken. Hij deed dat ondermeer in een beroemd geworden rede over de culturele inertie van katholieken voor de Adelbertvereniging in 1958. Hij bekritiseerde in die rede de blinde volgzaamheid van katholieken, die, zo zei hij, geen deugd is, maar het gevolg van het ‘instinct van schapen’. En zijn collega Gerard Brom, een van de meest erudiete hoogleraren die onze universiteit ooit gehad heeft, schreef kort voor zijn overlijden in 1959 over diezelfde schaapachtige volgzaamheid van de katholieke kudde, die, zo zei hij, tot gevolg had dat het katholicisme in de moderne cultuur beneden zijn stand leeft. Hij sprak speels over de ‘middenstand’ van het katholicisme, die brave middelmatigheid met zich mee bracht. Nee, met dat soort kuddegedrag, met die schaapachtigheid zullen wij niet graag vergeleken willen worden. 

En hoe zit het met het beeld van de herder in onze tijd? Is het beeld dat ons in de twee Schriftlezingen van vandaag wordt voorgehouden, niet een hopeloos anachronisme geworden? Wij kennen herders alleen nog maar als vertegenwoordigers van een folkloristisch, bijna uitgestorven beroep. We komen ze tegen in een VVV-folder, in een kinderboek, onder de kerstboom of tijdens de vakantie, in Drenthe of op de Brunssumerheide. Er zijn al met al toch nog bijna vijftig schaapherders in Nederland, maar van bijna de helft van hen wordt het voortbestaan van hun baan door de bezuinigingen van rijk en provincies op het natuurbeleid momenteel ernstig bedreigd.

En ja, we kennen het woord herder natuurlijk ook nog in een andere zin, een overdrachtelijke zin, namelijk als term voor de kerkelijke leiders, vooral voor de bisschoppen. Daarvan zijn er in Nederland nog minder dan van de schaapherders, en de werkelijkheid van deze herders helpt ons ook niet veel om het beeld van de herder in de Bijbel goed te begrijpen. De kerkelijke herders worden tegenwoordig immers vooral uitgekozen wegens hun schaapachtige volgzaamheid. Van dat type herder gaan heel wat makke schapen in een hok, om de beeldspraak maar eens helemaal door elkaar te husselen. Zij zijn in elk geval geen hoeders die hun kudde nog met zorg bij elkaar willen houden. Nee, schapen die af en toe een eigen pad willen volgen of die wat tegendraads geblaat laten horen, laten zij met groot gemak vertrekken: ‘beginnen jullie maar een eigen kudde’, zegt de Bossche hulpherder Rob Mutsaerts tegen de (geenszins makke) schapen van de kritische Salvatorparochie. Nee, dat zijn geen herders die, zoals het Johannesevangelie ons vandaag voorhoudt, hun schapen willen kennen. Het zijn, in de beeldspraak van Johannes, huurlingen; ‘de schapen kunnen hen niets schelen.’ 

Het valt dus niet mee iets te begrijpen van de beeldspraak die Ezechiël en Johannes in de lezingen van vandaag gebruiken. Die beeldspraak komt uit een verdwenen agrarische cultuur, uit een samenleving van herders en nomaden, uit een wereld waarin het vee een waarborg was voor leven en welzijn en waarin de rijkdom van een persoon werd afgemeten aan de omvang van zijn kudde. Wie goed voor zijn kudde zorgde, wie oog had voor elk dier in zijn stal, zo iemand zou ook goed voor mensen kunnen zorgen, zo iemand zou ook oog hebben voor elk mens. Zo’n herder zou niemand verloren laten lopen, zo’n herder zou geen enkel schaap aan zijn eigen lot overlaten.

Daarom is het beeld van de herder in de bijbelse geschriften bijna vanaf het begin aanwezig. Praktisch vanaf het moment dat er mensen zijn, worden zij aangesproken op hun zorg voor elkaar, worden zij geroepen om elkaars hoeder te zijn. Abel is de eerste die geroepen wordt herder te zijn, en daarmee staat hij in schril contrast met zijn broer Kaïn, die weigert de hoeder van zijn broeder te zijn. Abel de herder en Käin de onherder.

En daarna zijn alle leiders van het volk van God herders: zij worden letterlijk van achter hun schapen vandaan geplukt. Abraham, Lot, Isaäk, Rachel – ja ook zij, ‘zij was herderin’ zegt Gen. 29:9; herderen is niet alleen mannenzaak -, Jakob, Josef en zijn broers, Mozes, die het volk als een herder bij de uittocht leidt, en ook de koningen in het land Israël worden van het land geplukt: Saul wordt geroepen terwijl hij de ezelinnen van zijn vader zoekt en David terwijl hij de schapen hoedt. Hij wordt voortaan de herder die Gods schapen weidt, zoals de profeet Ezechiël het uitdrukt, iets verder in hetzelfde hoofdstuk waaruit wij vandaag gelezen hebben.

Vanaf David is het herderschap definitief beeld geworden van het leiderschap over het volk van God. Het is een heilig ambt geworden. Wie herder is, is dat omdat hij daartoe geroepen is, daartoe is aangesteld door de Eeuwige, om al het geschapene, en de mensen voorop, te behoeden en te beheren, ze niet verloren te laten gaan, ze geluk en welzijn te waarborgen. Want zo doet ook de Eeuwige zelf dat, die eigenlijk de herder ten top is. Zo wordt Hij ook bezongen in de Schrift. Denk maar aan de lofliederen uit de psalmen: ‘De Heer is mijn herder; mij zal niets ontbreken. Hij wijst mij te liggen in grazige weiden, Hij voert mij naar wateren der rust’, zoals psalm 23 zegt. Als er iemand herder mag heten, dan de Eeuwige, dan God zelf. Niemand heeft zoveel hart voor zijn schapen, voor zijn mensen als Hij.  

Als Jezus zichzelf herder noemt, zoals hij in de perikoop uit het Johannesevangelie van vandaag doet, dan klinkt heel die herdersgeschiedenis uit de Tenach, uit de boeken van het Eerste Testament, mee. Ja, dan is dat zelfs een provocatie, want herder is alleen de Eeuwige en zijn beloofde Messias, de gezalfde. Jezus noemt zichzelf immers niet zomaar een herder, nee, hij noemt zichzelf de goede herder. Dat ‘goede’, ‘kalos’ in het Grieks, versterkt de provocatie: hij is de echte herder, de gave, volmaakte, ideale, onvervalste herder, het model voor alle herders. Dat is nogal wat.

Jezus neemt die zelfbeschrijving als herder ook niet zomaar in de mond. De perikoop waaruit we gelezen hebben, maakt immers deel uit van een gedeelte van het Johannesevangelie waarin eigenlijk het proces tegen Jezus al begint. De akte van beschuldiging wordt opgemaakt. Jezus wordt verweten godslasterlijke dingen te doen: hij heeft – in het vorige hoofdstuk van het evangelie – een blinde genezen op de sabbat. ‘Zo iemand komt niet van God, want hij houdt zich niet aan de sabbat’, zo wordt tegen hem ingebracht (Joh. 9:16).

En in de perikoop van vandaag verdedigt Jezus zich tegen de tenlastelegging. ‘Ik kom wel van God’, is wat hij wil zeggen door zichzelf de goede herder te noemen. Ik ben gezonden door de Eeuwige die zorg heeft voor ieder mens, ook voor de blinde op de sabbat. Ik ben als een herder die zijn schapen niet in de steek laat. Ja, ik geef mijn leven voor mijn schapen. Ja, ik doe dat zelfs voor de schapen die niet uit mijn schaapskooi komen.

Daarmee plaatst Jezus zich rakelings dicht bij God, bij de Eeuwige, die onverkort zorg en aandacht heeft voor zijn mensen, die niemand verloren laat gaan, ja, die zichzelf als een waarachtige herder beschikbaar wil stellen voor zijn kudde. Hij kent ieder bij naam, zoals een herder elk schaap bij naam kent, en hij bewaart die namen in zijn hart. Hij is een onkreukbare en waarachtige behoeder van de weerloze waarde van menselijkheid, zoals de dominicaan Jan Nieuwenhuis het zo mooi zegt in zijn dikke commentaar op het Johannesevangelie. 

Maar daarmee wordt ook meteen een spiegel voorgehouden aan al degenen die in de mensenwereld geroepen zijn leiding te geven. Een confronterende spiegel, die elke vlek en rimpel genadeloos zichtbaar maakt. De eerste lezing, uit het boek van de profeet Ezechiël, de aalmoezenier van de ballingen, maakt dat krachtig duidelijk. Daar worden de schijnherders bekritiseerd, de onherders, die vooral zichzelf weiden, die geen zorg hebben voor de zwakken en gewonden, die niet op zoek gaan naar wie verdwaald zijn, maar die hun dieren hard en wreed behandelen, alleen maar uit op eigen belang. Dat zijn de herders die hun kudde te grazen nemen in plaats van ze naar grazige weiden te leiden. Dat zijn de herders die op de vlucht slaan als het moeilijk wordt en hun kudde in de steek laten. Herders zonder hart voor hun schapen, leiders zonder hart voor de mensen. De Eeuwige zegt ze bij monde van Ezechiël de wacht aan: ‘ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen; zij zullen ze niet meer mogen weiden.’ Dat is forse taal. Dat is de taal van de opstand, van het verzet tegen valse leiders, tegen huurlingen die zich voor herders uitgeven. Het beeld van de Eeuwige als herder blijkt zo een enorm maatschappijkritisch potentieel te hebben. Iemand kan zich niet meer straffeloos herder noemen en intussen alleen zijn eigen belang dienen. Hij zal gemeten worden naar het beeld van de Eeuwige, die herder is van alle mensen en wiens hart uitgaat naar de zwakken, de gewonden, de verdwaalden, de verstrooiden, de hopelozen. 

Met die kritische kracht van het beeld van de herder is, vind ik, heel mooi gespeeld in een eigentijdse bewerking van psalm 23 door de dichter Leo Herberghs. Met zijn gedicht ‘Psalm’ wil ik graag afsluiten: 

de heren zijn onze herders
zij leiden ons over ligweiden
naar wateren van recreatie
en rust van grazige weiden
ze bouwen voor ons snelwegen
zodat we ons kunnen verplaatsen
en zorgen voor treinen en vliegvelden
maken geluiddicht onze woning
niets zal ons ooit nog ontbreken
woningwetwoningen en sportparken
muren tegen onze vijanden
ze doorschouwen onze harten
wat goed is voor ons leven
weten ze, met zalvende woorden
noden ze ons aan hun tafels

steeds gaan zij ons voor, onze herders
leggen uit hoe we de weg vinden
in onze belastingformulieren
en waar we ons moeten vervoegen
voor een visakte of een huurwoning
waar het politiebureau is of het stadhuis
en hoe door het dal van doodse schaduwen
we het winkelcentrum kunnen bereiken
waar het ons aan niets zal ontbreken

waar zouden wij zijn als de herders
zelf zouden gaan dwalen, ten prooi
zouden vallen aan twijfels
niet meer treden in sporen van waarheid
niet met stok en staf ons voorgaan
en het kwaad niet meer zouden vrezen?
is dan tot in lengte van dagen
geen geluk meer om onze schreden
in het aangezicht van onze belagers?